A.L. Snijders | Verstilling

  Column

Ik woon in een dunne streek. Er staan weinig huizen, er zijn weggetjes waar ik altijd alleen rijd, zowel op de fiets als in de auto. Mensen zie ik er zelden. De aardappelvelden met vroege en middelvroege, halflate en late rassen ontstaan ieder jaar uit zichzelf, ik zie ze groeien en als de tijd van rooien gekomen is, gebeurt dat op een moment dat ik er niet ben. Ik denk zelfs dat ik die dag niet besta. Daar komt nog iets bij wat ik de verstilling noem. Dat zijn in principe rijdende voertuigen die altijd stilstaan omdat ze kapot zijn en blijven. Vaak zijn ze verborgen op het erf, maar ik zie ze toch, ze behoren tot mijn habitat. Ik onderscheid ze van daadwerkelijk rijdende voertuigen – altijd op dezelfde plaats, goed onderhouden, harde banden, geldige kentekenplaten. Deze hebben mijn onvoorwaardelijke sympathie, maar ze zijn toch nog onder te verdelen in aanwezig en even weg.

Het is hetzelfde als met de aardappelen, ze behoren tot de oppermachtige natuur die eens het regiem weer definitief zal overnemen, maar zover is het nog niet, zo keurig als ze in rijen staan moet dat wel het werk van mensen zijn. Dat die mensen voor mij al vijftig jaar onzichtbaar zijn, is mijn eigen schuld, ik kan niets anders bedenken.

Onlangs is er iets gebeurd wat de verstilling een knauw gegeven heeft.

Ik reed in een ander deel van ons land, wel tweehonderd kilometer verwijderd van de Achterhoek. Daar reed ik in een onbarmhartige file achter een kleine auto, die ik herkende. Het was de auto die ik altijd zag staan of die ontbrak. In dat geval herkende ik de plek aan het gele, korte gras. Nu zou ik me na vijftig jaar toch willen voorstellen, maar de file reed langzaam en stopte niet. Ik weet trouwens niet of ik het bij stilstand zou aandurven. Mijn auto verlaten, naar voren rennen, op het raam tikken, de blik van de bestuurder weerstaan, het zou van alles kunnen veroorzaken, ongeloof, irritatie, meegaandheid. In het laatste geval zou ik me na vijftig jaar voorstellen (’ik ben A.L.Snijders, ik woon bij u in de buurt zonder mensen’), en uitleggen wat ik onder verstilling versta, en hem of haar (ook dat nog) uitnodigen om eens aardappels te komen eten. De kans is groot dat de file weer in beweging komt en mijn nieuwe, oude buurman toch maar gaat rijden. Ik kan teruglopen, maar ik kan ook op het asfalt gaan zitten en toegeven dat ik mijn verstand verloren heb, luisterend naar de sirenes van de ambulances.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden