De covers van de twee boeken die Sander voor deze aflevering las. Foto: Sander Grootendorst
De covers van de twee boeken die Sander voor deze aflevering las. Foto: Sander Grootendorst
audio

Sander Leest | Een pompwasmachine uit Nedersaksië

ACHTERHOEK - De boekhandel in zonder tijdslot of mondkapje… maar nu werd het pas echt gevaarlijk, althans voor mijn portemonnee: ik kocht er meteen twee. Na het afrekenen subiet naar buiten, alsof toch een tijdsbeperking gold.

De aanwinsten: Noo kriege wi-j ’t baeter van Annegreet van Bergen en Nedersaksisch in een notendop, van de hand van vijf auteurs.

Van Bergen (geboren in Enschede, al jaren Zutphense) beschrijft de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog: het centrale thema in andere boeken van haar, waaronder de bestseller De gouden jaren. Hoe na tijden van armoede en ellende (ook al vóór de oorlog) de welvaart snel toenam. In dit geval beperkt ze zich tot één gebied, de Achterhoek. Binnen enkele decennia veranderden de leefomstandigheden ook hier gigantisch. Niet dat het automatisch ging, er is hard voor gewerkt, je moest het grotendeels zelf doen, de mouwen opstropen, naoberschap én vindingrijkheid tonen. De afbeelding op de voorpagina is tekenend: “Meneer Koers uit Joppe vond in 1951 de eerste ‘pompwasmachine’ uit. Zijn vrouw demonstreert het apparaat dat op een fietspomp lijkt.”

Iemand als Bennie Jolink verbracht al zijn jongste jaren in en rond Hummelo. De frontman van Normaal, 74 nu, schrijft in de inleiding over een tochtje naar het ziekenhuis van Doetinchem: ,,Ik kan me nog helder voor de geest halen dat er een keer een stoomtram langs me heen kwam. Daar schrok ik zo van. Dat kende ik helemaal niet.”

Van Bergen putte uit interviews van vrijwilligers die, begeleid door Erfgoed Gelderland, met oudere Achterhoekers over hun naoorlogse ervaringen spraken. De geïnterviewden worden bij hun voornaam genoemd, alsof ze opa’s en oma’s van de lezers zijn. Noo kriege wi-j ’t baeter staat vol persoonlijke verhalen, ruim voorzien van fotomateriaal.

Toen in de jaren vijftig zelfs de hoofdwegen, zoals tussen Zelhem en Doetinchem, vaak nog slecht begaanbare modderverbindingen waren, en niemand een tv bezat, lag de Achterhoek behoorlijk geïsoleerd tussen IJssel en Duitse grens. Er werd volop Achterhoeks gesproken, met al z’n variaties tussen pakweg Wenters (Winterswijks) en Hengels; in andere delen van ‘Nedersaksië’ onder meer Veluws, Twents of Stellingwerfs (Zuid-Friesland). Verwant aan Hollands, dat zeker, maar toch zeer verschillend. Trouwens ook verschillend van het Liemers, dat niet tot het Nedersaksisch, maar, net als bijvoorbeeld Nijmeegs, tot het Frankisch wordt gerekend. IJssel noch Duitse grens vormen een taalafscheiding, in tegenstelling tot die smalle Oude IJssel: daaronder begint ‘Frankenland’. Het gaat er al richting de zachte g.

Nedersaksisch sprak je thuis en op straat; niet in de klas. Om praktische redenen: met je afwijkende tongval werd je bij het solliciteren voor een baan in de grote stad allicht minder snel aangenomen. Die situatie is inmiddels verbeterd, Nedersaksisch werd in 1998 als officiële taal erkend. Dat is dan weer mede te danken aan mensen als Bennie Jolink, wiens band landelijk succes had met de streektaal-hit Oerend Hard, rechtstreeks vanaf het Hengelse Zand. Maar doordat de Achterhoek toegankelijker werd door nieuwe infrastructuur, onderdeel van de algehele welvaartsgroei, kwam lokaal taalgebruik tevens onder druk te staan. Dit is kenmerkend voor alle Nederlandse ‘buitengewesten’, waarbij het Limburgs de dans nog het meest ontspringt. Het met de oprukkende welvaart “verdwijnen van de agrarisch-ambachtelijke samenleving” speelt mee. “Dat kinderen niet meer het streektaalwoord kennen voor een koe die nog niet gekalfd heeft, voor het aanharken van een rij hooi op het land of voor een gerecht waarvan niet alle ingrediënten in een supermarkt te verkrijgen zijn, valt daarom te begrijpen.” Een ‘pompwasmasjien’ is van die nieuwe tijd. De typische accenten (Achterhoeks, Twents, etcetera) zijn wel nog altijd uit duizenden herkenbaar.

Een belangrijke link tussen beide boeken zit hem in het fenomeen ‘erkenning’, het ‘gehoord worden’. Een regio met een eigen karakter, verhalen die niet worden vergeten, het verleden als basis voor het heden, woorden die niet verloren gaan: al was het maar omdat ze in boeken worden bewaard. In boekwinkels en bibliotheken. En thuis in de boekenkast. 

Sander Grootendorst
Tips: 
sandergrootendorstleest@gmail.com


Annegreet van Bergen: Noo kriege wi-j ’t baeter. Uitgeverij Hermans, 2020.
Jan Nijen Twilhaar e.a.: Nedersaksisch in een notendop. Uitgeverij Van Gorcum, 1919.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden