
Springtij in Zutphen
Onlandse tijdingenVan evenementen wordt gezegd dat ze zo verbindend zijn.
Dat is mooi. Jammer alleen dat er zoveel mensen op af komen.
Ik heb Zutphen al eens een getijdenstad genoemd; overdag loopt ze vol, in de late avond en nacht is ze weer leeg.
Maar vergeleken met eb en vloed is de Nationale Bokbierdag voor de stad een springtij. Je kunt over de hoofden lopen, had een buurvrouw mij al eens gezegd over de dag die ik hier niet eerder meemaakte - met dank aan covid.
(Covid dat zich over zo’n dicht opeengepakte mensenmenigte zou verheugen en nog steeds handenwrijvend in de coulissen staat, maar dit terzijde.)
Vooraf heb ik me het hoofd gebroken over de aantrekkingskracht van dit evenement. Eigenlijk verandert het oude stadscentrum en dan met name zijn geschakelde markten in een grote, stampvolle openlucht kroeg waar iedereen hetzelfde drankje staat te drinken, met nadruk op ‘staat’.
Er zijn namelijk alleen maar staanplaatsen.
Gezegd moet worden dat ik geen bierkenner ben. Ik weet dus ook niet of bokbier bij de geoefende bierdrinker in hoog aanzien staat. Ik begrijp dat het tegen de herfst wordt geserveerd, donker is van kleur, en nogal gekruid.
Dat was althans mijn indruk na het innemen (staand) van een plexiglas Jopen, gebrouwen met vier granen, tegen de prijs van zeven euro.
Daar keek ik wel even van op, maar de jongen achter de bar vertelde me dat ik voor het glas (van plexiglas) 1,75 betaalde. Dit was zaterdag, de voorproefdag, en het was nog heel rustig op de markten. De eerste notie van de bokbierdag: hier gingen een paar mensen heel veel geld aan verdienen.
Temeer ook daar de organisatie niet bijzonder veel aandacht had besteed aan de aankleding van de openluchtkroeg. Er was langs de gevels een tentenkamp opgericht met wat wapperende vlaggen erop, zodat een argeloze voorbijganger misschien zou denken dat men hier een riddertoernooi ging houden. Maar onder elke tent werd een eendere bar geplaatst, een puur functioneel bierafhaalpunt en zeker niet om aan te zitten.
Het enige verschil tussen de tenten was het merk bokbier.
Weinig bijzonders of speciaals uit de Achterhoek, maar vooral grote merken. Grolsch, Amstel, Brand en hoe ze allemaal maar heten. Nationaal bier. Ah, vandaar die toevoeging: Nationale Bokbierdag.
Qua publiek leek het me vooral een regionaal gebeuren.
Verder stond de halve stad vol grijze urinoirs van hard plastic. Want dat is ook een kern van zo’n bokbierdag: hier worden hectoliters bier omgezet in urine.
Wat in het menselijk lichaam achterblijft, zo merkte ik op zondag toen de stad werkelijk massa’s te verwerken kreeg, is een grote lach op het gezicht: een wat dwaze en verdwaasde lach en eronder een instabiel lijf.
Een verbindend evenement.
De mensen zoeken gemoedelijkheid, zei mijn buurvrouw. ‘Niks hoeft en niksen mag.’ Dat begreep ik wel, maar waarom wil men dat met duizenden tegelijk? Gemoedelijk was het wonderlijk genoeg toch.
De markten veranderden in een schaterende mensenzee.
(Nog een terzijde: wat zijn die Bankdirecteuren uit Vorden toch een lekkere coverband.)








