
Gezeten achter de piano in de kelder van filmhuis Luxor signeert Hans Heesen zijn nieuwe boek. Foto: Sander Grootendorst
‘Er zindert iets tussen de regels.’ Hans Heesen voltooit met ‘Erfgenaam’ zijn trilogie
CultuurZUTPHEN – “Alweer een boek?”... Kreeg Hans Heesen van menigeen te horen toen bekend werd dat ‘Erfgenaam’ op het punt van verschijnen stond: binnen zes jaar tijd de derde (korte) roman van de Zutphenaar. Vrijdag werd het gepresenteerd in filmtheater Luxor, waarvan de schrijver in het dagelijks leven directeur is.
Door Sander Grootendorst
‘Erfgenaam’ is een filmisch verhaal, al zou je bij een eventuele verfilming wel de constante gedachtengang van de ik-figuur moeten missen die het boek bijeenhoudt. Net als in de beide voorgangers spelen Zutphen en omgeving een herkenbare rol, meer specifiek de begraafplaatsen in Zutphen, Almen en Warnsveld, waaruit mag blijken dat ‘de dood’ in het boek prominent aanwezig is, zoals Heesen en gastspreker Gijs Müller, Zutphens kunstenaar, bij de presentatie aangaven. “Maar het gaat vooral over vriendschap”, zei Heesen.
Alweer een boek… De schrijver zelf vindt dat je van een ‘trilogie’ kunt spreken: drie boeken die samen een, in dit geval los-vast, geheel vormen. “Door de boeken die vroeger bij ons thuis in de kast stonden, zoals ‘En eeuwig zingen de bossen’, ‘Winden waaien om de rotsen’ en ‘De weg tot elkander’ van de Noorse schrijver Trygve Gulbranssen of ‘En de tuinfluiter zingt’, ‘Een nest vol tuinfluiters’ en ‘Als de tuinfluiter zwijgt’ van Jos van Manen-Pieters, heeft het woord trilogie voor mij een magische betekenis.”
Stuk voor stuk zijn dat aanzienlijk dikkere boeken dan die van trilogie-fan Heesen, die zijn deel 3 onder meer laat voorafgaan door een zin van de vergeten Oostenrijkse schrijver Herman Broch: “Vele dingen waren onbegrijpelijk, eigenlijk alles.” In tegenstelling tot wat deze beknopte gevleugelde woorden doen vermoeden, was ook Broch een man van lange adem – ze stammen uit deel 2 van zijn lijvige trilogie ‘De slaapwandelaars’, een roman annex diepgravende studie naar het mens-zijn in de duistere jaren tussen de beide Wereldoorlogen.
‘Schimmig zaakje’
Dikke pillen zijn niet meer van deze tijd, de dunne trilogie van Heesen kun je desgewenst in één paasweekend uitlezen. Ook om deze reden: “Eenvoudigere zinnen dan die van Hans zijn schier ondenkbaar.” Dat zei uitgever Willem Desmense in zijn inleiding bij de presentatie. “De dichtheid van Hans’ proza geeft zijn tekst spanning en lading. Er zindert iets tussen de regels.”
Als je ze uit hebt kan deze gedachte je inderdaad bekruipen: “Vele dingen waren onbegrijpelijk, eigenlijk alles.” Het geldt in z’n algemeenheid zowel voor de jaren dertig van de vorige eeuw als de jaren twintig van deze, voor de boeken van Broch en Heesen, zeker ook voor ‘Erfgenaam’. De ik-figuur begrijpt zichzelf niet: Waarom laat hij zich eigenlijk in met wat hij van meet af aan heeft beschouwd als “een schimmig zaakje”?
In feite is er al geen goed antwoord op de schrijversvraag: “Alweer een boek?” Heesen: “In dat ‘alweer’ zit iets van onbegrip en ongeloof. Moest het zo nodig? En: hoe kríjg je het voor elkaar?”. Hij deed een poging: “1. Ja, het moest zo nodig. 2. Volgens Ruud van Nistelrooij [voetbalspits] is het maken van doelpunten als het op z’n kop houden van een fles ketchup. Soms moet je de fles een eeuwigheid ondersteboven houden en komt er niks uit, maar als het eenmaal begint te stromen, is er geen houden meer aan. De eerste zestig jaar kwam er bij mij niks uit de fles, ook omdat ik de dop erop hield. En nu is er geen houden meer aan. Dus jullie zijn gewaarschuwd.”
‘Geen houden meer aan’ is relatief, er voltrekt zich een heel proces voordat Heesens stijl van geen-woord-te-veel naar de drukker kan. Desmense: “Er wordt door Hans geschoven met stukken en stukjes tekst. Er woorden woordjes gewijzigd en weggehaald. Komma’s geschrapt en vraagtekens tot punt geslagen.”
Moestuin
Het resultaat? “Een ongelooflijk leuk boek”, concludeerde Gijs Müller. “Het verhaal is een spel tussen een ontroerende bruut en een naïeve moralist. En ik weet niet wie ik de domste vind.”
In ‘Erfgenaam’ heeft ook de natuur een rol, in eerste instantie niet van harte. Müller: “De ik-persoon ergert zich eraan dat hij eigenlijk niets van de natuur weet, hij kan planten niet van elkaar onderscheiden. Natuur en dood zijn nauw met elkaar verbonden. Wie wordt begraven, eindigt in de grond. Als je iets van de dood wil begrijpen moet je specialiseren in de natuur en dat doet hij.” En hoe! “Hij leert de gewassen kennen. In het eind van het boek noemt hij er wel zestig die in zijn moestuin groeien.”
Na Müllers toespraak overhandigde Heesen het eerste exemplaar van ‘Erfgenaam’ aan zijn vrouw Karin. De ik-figuur uit het boek viel even samen met die van de schrijver. “Het boek zou er totaal anders hebben uitgezien zonder Karin. Want voor wie denkt dat dit fictie is…Die moestuin bestaat echt. Hij is te vinden aan de Laan 1940-’45 in Warnsveld.”
***
Hans Heesen: Erfgenaam. Utrecht 2025. Uitgeverij IJzer









