
Dietske Geerlings, de nieuwe stadsdichter: '“Als ik alleen maar schrijver zou zijn – voltijds –, zou er niks uit mijn pen komen.” Foto: Sander Grootendorst
‘Uitdragen dat de wereld iets van ons samen is’
CultuurZUTPHEN – Docent Nederlands Dietske Geerlings heeft er de komende twee jaar een officiële taak bij. En die gaat ze met veel elan vervullen. Ze is de nieuwe stadsdichter van Zutphen. Als opvolger van Wolfram Reisiger werd ze maandagavond in café De Deur ingehuldigd. “Een mooie opdracht.”
Door Sander Grootendorst
Gesprek op het Eligant, vrijdagmorgen, in het lokaal waar Geerlings het volgende lesuur de nieuwe module poëzie gaat introduceren bij de leerlingen van vwo-4. “Wel toevallig hè, net nu?” Jongeren in aanraking brengen met de vele facetten van poëzie, dat wil ze ook oppakken in het kader van haar nieuwe functie. Meteen maandagavond al, bij haar stadsdichterdebuut. “Ik had een gedicht gemaakt en twee leerlingen gevraagd of zij daar iets in konden weven. De een heeft een Syrische achtergrond, de ander een Turkse. Vanuit jullie cultuur, jullie taal, zei ik. Ze reageerden heel enthousiast. Ze hebben in hun taal gezocht naar woorden en zinnen die op dezelfde manier klinken als de mijne.”
“Een grote eer” vindt Geerlings (53) het, dat ze stadsdichter mag zijn. “Er lopen in Zutphen zoveel goede dichters rond… Dus ik was verrast toen August Hans den Boef mij belde namens Zutphen Literair. Ook omdat ik als dichter niet zo bekend ben: ik ben vooral docent, hier op school. Bovendien geef ik al mijn werk in eigen beheer uit. Ik weet dat daar weerstand tegen bestaat, een soort ongemak, alsof je niet meetelt. Mij maakt het niet uit, het is hun probleem. Stel dat een grote uitgeverij mijn werk wil uitgeven, dan zou ik daar waarschijnlijk van afzien. Het is te veel een commercieel circus. Ik zie mezelf ook geen boekpresentaties en signeersessies doen, die tijd gebruik ik liever om te schrijven.”
Het ongemak speelt in Zutphen niet, en zeker niet bij Zutphen Literair: Dietske Geerlings is gevraagd en ze zei ja. In de wetenschap dat ze als docent, als moeder van vier kinderen én als schrijver – ook van romans en korte verhalen – haar handen al vol heeft. Maar voor stadspoëzie is ze in, en trouwens: zonder al die overige bezigheden zou het niet eens lukken: “Als ik alleen maar schrijver zou zijn – voltijds –, zou er niks uit mijn pen komen.”
Het verzoek van Den Boef dateert van een paar maanden geleden. Geerlings heeft zich geestelijk al wat kunnen voorbereiden op haar stadsdichterrol. “Weliswaar heb ik het volle leven nodig om daarover te kunnen schrijven en is dagenlang doorbrengen in een zolderkamertje niks voor mij… toch zit ik wel veel in mijn hoofd, ook als ik schrijf. Maar als stadsdichter moet je natuurlijk naar buiten treden.” Dat is ze dan ook zeker van plan.
Zutpheneesjes
Sommige stadsdichters, zoals Mas Papo in 2017 (Geerlings zat in de jury die hem voordroeg), woonden nog maar kort in Zutphen, anderen, zoals Hanz Mirck, in 2007 de eerste stadsdichter in de reeks, zijn er geboren. “Ik woon er sinds 1996”, zegt Geerlings. “Ik ben geboren in Deventer. Mijn vader was militair, dan moet je om de zoveel tijd verhuizen. Ik heb ook vier jaar in Duitsland gewoond.”
Na haar studie Nederlands in Utrecht solliciteerde ze in Zutphen, waar ze werd aangenomen op het Baudartius en van de woningstichting een bovenetage aan de Rodetorenstraat kreeg aangeboden. Met haar vriend en latere man (hij geeft Nederlands in Doetinchem) nam ze er haar intrek. “Ik kende Zutphen helemaal niet, had niet gedacht dat het er zo mooi was. Bijna magisch. We kregen zo’n warm welkom. Inmiddels heb ik nergens anders langer gewoond, en ik wil hier niet meer weg. Ik heb inmiddels vier Zutpheneesjes geproduceerd... Ze zijn bij ons thuis in de meerderheid.”
Het voorgaande citaat (vanaf ‘Ik kende’) laat zich lezen als een stadsgedicht.
“Wat wil je als stadsdichter betekenen in deze relatief korte periode? Mijn antwoord op die vraag: Jongeren erbij betrekken, dat was mijn eerste gedachte en daar heb ik al werk van gemaakt. Maar ouderen natuurlijk ook.” In het algemeen: “De mogelijkheid om uit te dragen dat de wereld iets van ons samen is, dat zie ik als mijn opdracht. Een mooie opdracht.” In dat kader heeft ze allerlei ideeën. “Het lijkt me leuk om langs wijkcentra te gaan, gewoon kijken van wat er allemaal speelt. Of dat ik een keer ergens ga zitten en dat wie dat wil naar me toe komen met voorstellen voor een gedicht. Of met iets wat ze zelf hebben geschreven. Dat ik niet steeds aankom met ‘mijn’ stadsgedicht, maar dat de mensen het gevoel hebben dat het ook hún gedicht is.”
Ambassadeur
“En ja, dat is misschien toch de docent in mij: dat je ook de ambassadeur van de taal bent. Dat je zo kunt laten zien wat er allemaal mogelijk is in poëzie.” Dat is veel méér dan regels op elkaar laten rijmen, benadrukt Geerlings: “Ik ben niet echt een traditionele dichter. Eindrijm vermijd ik, want dat voelt voor mij als vrij grof. Maar ik doe wel veel met klank.”
Al spelend met woorden en zinnen schrijft Dietske Geerlings haar poëzie. Ook “witregels, plekken waar de taal niet is” fascineren haar. “Je afvragen hoe je een regel afbreekt, dat is ook een hele kunst. Het is niet zo dat er zonder die afbrekingen gewoon een stuk proza uitrolt.”
Oké, hoog tijd om te stoppen met dit proza. Ruim baan voor twee jaar stadspoëzie van Dietske Geerlings.
***
Boeken van Geerlings kun je gratis downloaden op haar website.








