Afbeelding

Bolling

Opinie

Ik weet niet goed hoe het komt dat ik zo vaak aan je denken moet. Misschien omdat ik vanmorgen de regendruppelprelude van Chopin luisterde en dat melancholie in me aanwakkerde, of omdat ik las dat dit onderdeel van een set van vierentwintig preludes een op zichzelf staand muzikaal gedicht is. En nu dus probeer te rijmen hoe het leven zich poogt lijmen en er soms slechts flarden overblijven; regendruppels. ‘k Was destijds ook te jong er de stroom voor te vinden. Heb me dat in de stortbui niet gerealiseerd. Dat het logisch was en ik niet zoeken hoefde. Enkel dragen en overspoeld berusten.

Weet nog dat ik je zocht die keer in mei. Het was warm en zacht geworden, net als jouw gras. Ik plantte me erin met m’n walkman, een groots bezit voor wie de melodie van weemoed horen kan. ‘k Was laatst bij een concert toen ik daar ineens om moest huilen, omdat met de klanken de reis terugkwam; de herinnering bezit van me nam en ik voelen kon hoe het ritme me richting gaf. En dat die walkman toen zo nodig was.

Het oranje schuimrubber bollend tegen oorschelpen die - doof voor anders - nog enkel jouw sporen horen wilden. Ik ben letterlijk gestoord door een grasmaaier, moet je weten. Het is belangrijk het gazon bij jouw rustplaats te voeden; met aandacht, bemesting en billen. Van tieners bijvoorbeeld die je terug willen. Of in elk geval niet vergeten.

Inmiddels ben ik zoveel ouder dan jij bent geworden en heb ik ze gevonden; de woorden die eer doen aan wat je achterliet. Ze lagen niet in het gras bij jou, maar in de route ernaartoe. In hoe ik doolde en maaide, vaak dwars door alles heen, maar vooral op een tocht naar boven; richting licht dat verlicht. Ik denk dat ik, als je ouder had mogen worden, niet schor voor je gezongen, maar zacht tegen je had gesproken. Ongeveer zo:

‘Nu al die stukjes van jou aan de oppervlakte mogen, daar aan dit afscheid een begin zal komen, gooien we je - als een bal die niet rond is - weerkaatsend tegen wanden van leegte. Een niets gevuld met stootkussens. Waardoor het er niet echoot, maar jouw nalatenschap ons dempt. Als een tissue die absorbeert en tegelijkertijd niets ontkent. Opdat we bewaren en ter voorkoming van druppels die doen overlopen.

Twee emmertjes slechts ben ik verwijderd van overstromen, maar we stapelen je zo zorgvuldig op dat er een bolling op jouw vlak komt. Het maakt het beeld dat mij weerkaatst wat kolderiek, alsof ik de breedte van alles nu pas inzie. Ik spiegel me aan jou; zo waterig als dit gemis maakt en zo gewichtloos als voelen wat me drijft.

Ik spiegel me aan jou zodat je blijft.’

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant