
Sporen kust
OpinieWe rijden naar zee, zonder agenda en met oorwarmers mee. Daar wacht ons een kamer die uitkijkt op vloedlijn en onderstroom. De zomerhuisjes zijn van de kant en er ligt niemand aan het strand, er is geen horeca te bekennen, geen parasol of ijscokar, geen badlaken en zonnebrand, geen opblaasdieren, schep of emmer, geen zonnestraal die zicht belemmert. Enkel zin en wind en vrije tijd.
De lucht klaart met de komst van duinen. Ik weet niet wat het is met de getijden en dat ze kinderen verblijden, zodat ze de oostenwind niet meer voelen of het winterse zand aan de handen. Hoe komt het dat twijfelachtig weerbare stappers het koude schuim in zullen? Wars van jaargetij en neerslachtigheid. Dat ze banjeren door poeltjes en naar schelpen zoeken, ze als schatten diep in jaszakken begraven om daarna zorgvuldig schoon te maken. Oh, hoe alle bezwaren wegspoelen en ze naar de golven moeten. Beïnvloedbaar door de kracht van de maan, onvermurwbaar voor mul zand en stroperig vooruitkomen. Wat is het met kinderen en waterdromen?
Eb en vloed omdat het moet, langs rimpeling en waterlijn, waar zout zo zoet kan zijn.
Waarom komt er een huppel in hun voeten als ik alleen kan zwoegen? Volwassen gevoerde enkellaarsjes duwen zich in stug oppervlak en ik voel met elke stap hoe ik verder wegzak. In tegenstelling tot m’n mondhoeken, die enkel hun weg omhoog zoeken. Omdat zij - waaghals en dondersteen - haar weg naar het randje vindt en telkens opschrikt van wat haar tenen bereikt, omdat ze druppelsgewijs steeds vrolijker kijkt. Zelfs als het schoeisel niet waterdicht blijkt.
Vochtige sokken stampen soppend letters in het zand die liefde uitten, straks kijken we vanuit de warmte trots naar buiten. Om te zien of ze er nog staan, die relikwieën van geluk. Daarna draperen we natte enkels over hotelverwarming heen, maakt zij een badje voor haar schelpen en telt ze één voor één. Laat ze ze op de rand van de wasbak drogen en in een plastic zakje voor maandverband zakken.
We zuchten zacht, we zijn aan zee. Zonder agenda en met oorwarmers mee. En resten aan neuzen van schoenen. Straks vinden we sporen kust in Zutphen; tussen kieren in zitting en groeven in achterbak. Groeven die licht doorlaten, maar geen zonnestralen; meer het strijklicht dat verzacht wanneer je terugkijkt. Zodat je de oostenwind niet meer voelt of het stroperig vooruitkomen. Zodat je kinderlijk gelukkig van water blijft dromen.
Wanneer we parkeren is ze het huidig seizoen nog altijd vergeten. Ze heeft, zo zegt ze, zin naar de Waterwerken aan de IJssel te gaan. Ik zeg te vermoeden dat daar nog geen stroming zal staan.










