Merel Harkink. Foto: Farshad Safariyan
Merel Harkink. Foto: Farshad Safariyan
Ingezonden

Een ode aan Merel, Koningin der Harten

Algemeen

“Hallo Merel, hoe gaat het deze week met je?” Ik stuurde je een bericht om te vragen hoe het met je gaat en om je te bedanken dat je een telefoon aan mijn zoon hebt gegeven – echt, ik ben je zo dankbaar. Haar antwoord was alleen een hartje, simpel maar vol warmte, met de woorden: “Graag gedaan.” Ze eindigde haar berichten altijd met: “Tot donderdag, vergeet niet te komen.” Wat een mooie herinnering… Opeens sloot ik mijn ogen en dwaalde mijn gedachten af naar de eerste keer dat ik naar de koorrepetitie van het Zutphen Zingt Werelds koor ging.

Het was op de dag dat Arash met zijn warme, vertrouwde glimlach, terwijl hij zijn haar naar één kant streek: “Farshad, kom vanavond met Sooshiyant naar het koor”. Ik heb met Merel, de dirigent van de groep, gesproken, het is een lieve vrouw en ze zei dat jullie van harte welkom waren.

Het was vrijdagmiddag. Eind februari, de lucht was ijskoud, alsof je bevroor. We kwamen een beetje te laat. Ik, Sooshiyant en Arash stonden naast elkaar en begonnen te zingen. Tijdens de pauze nam Arash ons mee naar Merel. Ze was een rustige vrouw, met vriendelijke ogen die achter haar metalen bril oplichtten met een glimlach die je hart verwarmde. We gaven elkaar een hand en ze zei hartelijk: “Welkom, voel je hier als thuis.” Enkele anderen kwamen ook, gaven een hand en groetten. Op dat moment voelde ik een rust in mijn hart; het leek alsof ik deel uitmaakte van een nieuwe familie, een plek waar iedereen graag samen kwam en vriendschappen wilde verdiepen.

Arash zong “Jane Maryam” met de betoverende fluit van Merel. Iedereen zong mee, de stemmen stegen als golven van de zee. Toen was het tijd voor “Soltane Ghalbha” ofwel “Sultan der Harten” – een lied dat in vreugde en verdriet door de aderen van elke Iraniër stroomt. De eerste keer dat ik het in die groep hoorde, beefde mijn hart, alsof er iets in me wakker werd. Mensen die geen woord Perzisch kenden, zongen toch mee, alleen vanwege de prachtige melodie. Daar besefte ik hoe muziek recht naar het hart kan gaan en knopen kan ontwarren. Mijn bezoek aan die groep viel samen met de eerste maanden van mijn emigratie, toen de last van verdriet en mentale strijd als een berg op me drukte. Het koor werd mijn toevluchtsoord, waar ik met zingen mijn vermoeidheid losliet en lichter naar huis terugkeerde. Daar begon mijn ziel weer te herstellen.

Vanaf die dag ging ik vaak naar het koor. Mijn leven veranderde. Ik vond nieuwe vrienden zoals Maaike en later Marcel – dierbare vriendschappen die nog steeds in mijn hart leven. Tijdens één van die kooravonden gaf Karel een gitaar aan mijn zoon. Merel zei direct: “Ik regel gratis lessen voor Sooshiyant”. Ze vroeg altijd: “Is hij gegaan? Heeft hij iets geleerd?” Het was voor haar belangrijk, niet alleen voor mijn kind, maar voor iedereen in de groep en iedereen die ze kende; ze deed alles wat in haar macht lag om te helpen.

Ik leerde daar ook zingen en harmonieën, simpel en puur, en leefde op een eenvoudige manier. Die eenvoud was het grootste geschenk dat ik van Merel en de groep kreeg. Soms traden we op in bejaardentehuizen of andere plekken. Langzaam werd ik spontaan de fotograaf van de groep, omdat ik ook mijn steentje wilde bijdragen! Vorig jaar kwamen we allemaal samen in de tuin van Merel Hubatka de pianiste van het koor. We zongen, aten, lachten. Ik nam foto’s. De volgende dag stuurde ik Merel Harkink twee foto’s van haar en zij schreef: “Stuur de rest ook.” Ik stuurde de foto’s van de anderen, maar ze zei: “Je hebt er maar twee van mij gemaakt?” Ik legde uit: toen we stonden te zingen, fluisterde Henk in mijn oor: “Merel is mijn vrouw, neem geen foto’s van haar.” Ik werd bang en deed het niet. Even later stuurde ze een bericht: “Henk zegt dat ik zijn vrouw ben, neem vandaag meer foto’s!” Ik was geschokt en verdrietig dat ik zulke momenten had gemist. Toen we elkaar zagen, lachten we erom. Alles ging als een droom, tot het nieuws kwam dat Merel ziek was. Kanker. Mijn hart kromp ineen; de gedachte dat zij die zware weg moest gaan, was ondraaglijk.

Soms kwam ze nog, maar ze bleef niet lang. Ik stuurde haar berichten, en ze antwoordde altijd kalm, maar in mijn verbeelding zag ik hoe zwaar het voor haar moest zijn. De laatste keer dat ik haar zag, was weer in de tuin van Merel Hubatka tijdens de afsluiting van het koorseizoen. Ik nam veel foto’s van haar om die eerdere zorg goed te maken, blij dat ik het had rechtgezet, zonder te weten dat dit de laatste blikken waren. ’s Avonds stuurde ik de foto’s, ze bedankte me en schreef: “Tot donderdag.”

Toen kwam die droevige dag. De Martinuskerk, half één ’s middags. Licht stroomde door de ramen, als stille tranen. Een witte kist, vol bloemen. De kerk zat vol, en iedereen was stil, alsof we onze adem inhielden. Arianne, onze nieuwe dirigent, gaf een teken, en het koor begon te zingen. De stemmen golfden als de zee en raakten mijn hart. 

Een Iraanse zangeres, een oud-leerling van Merel, stapte naar voren, stond tegenover Arianne en de menigte. Haar ogen waren gericht op de kist. Met een teken van Arianne begon Merel Hubatka op de piano te spelen, en de zanger zong met een trillende, zachte stem: 

— “Sultan van mijn hart, jij bent het, jij bent het…” 

— “Je brak de poorten van mijn hart, je brak ze…” 

Het was in het Perzisch, maar iedereen voelde de betekenis, zelfs zonder de woorden te begrijpen. Tranen rolden over mijn wangen, stil en onophoudelijk. Ik herinnerde me hoe vaak we dit lied onder Merels leiding hadden gezongen. Deze keer was ze er niet. Haar hond, Billy, kwam naar voren, ging naast de kist zitten, jammerde en huilde. Dat geluid sneed als een mes door mijn hart. Iedereen huilde, alsof Merel nog steeds tussen ons stond, met haar handen die het ritme aangaven en af en toe een tevreden glimlach.

“Sultan der Harten” had in Nederland een andere betekenis voor me, een zoete droefheid die ik in Iran nooit had gekend. Toen het weer in de kerk werd gezongen, voelde het als een afscheid. Ik kon mijn tranen niet meer bedwingen; het was alsof mijn hart brak.

Op dat moment kwam een gedicht van een Iraanse dichter in mijn gedachten, als de schaduw van een herinnering: 

“Merel, zacht als een lichte zwaan,
gleed ze kalm over de rivier,
vanaf de bomen aan de oever straalde de zon,
en rees uit de schoot van de horizon…

Merel vertrok met de horizon, als een zon die onderging. Maar ze bleef in onze harten, als een lied dat nooit eindigt. Ze was meer dan de dirigent van ons koor; ze was de sultan van eenzame harten, iemand die uit onze stilte het lied van het leven weefde.


Herinneringen van Farshad Safariyan aan dirigent Merel Harkink

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant