
De mooiste gezichten van Zutphen
AlgemeenIn Zutphen begon fotograaf Frank Mossink ruim twee jaar geleden met het portretteren van opvallende stadsgenoten. Zijn fascinatie voor portretten deelde hij op social media, waar het snel aansloeg bij een breed publiek. Eind 2023 vierde Mossink zijn 100e portret, en vanaf dit jaar is de wekelijkse serie te bewonderen in Contact Zutphen-Warnsveld.
Door Frank Mossink
De man die deze week centraal staat als Mooiste Gezicht van Zutphen beoefent een beroep waar veel muziek in zit en dat bovendien eeuwenoud is. Niet veel mensen beheersen dit ambacht zoals hij dat kan, en ik mag je vertellen hoe hij zo ver is gekomen.
Hij is geboren in Den Haag in 1958 in een groot katholiek gezin van negen kinderen. Omdat zijn vader al vroeg overleed, ervoer hij zijn oudere broers en zussen als een soort ouders. Alle kinderen konden goed studeren en zodoende ging hij na de middelbare school medicijnen studeren in Groningen. Die stad vond hij heel leuk en beleefde er een fijne tijd. Tegen het einde van zijn studie begonnen de opleidingen dicht te slibben, wat nu haast ondenkbaar is. Dat was in de jaren tachtig. Na zijn studie werkte hij een tijd in Utrecht als arts op de KNO-afdeling van een militair ziekenhuis. Met die ervaring raakte hij geïnteresseerd om de opleiding tot KNO-arts te vervolgen, maar dat lukte niet. Zo kwam hij terecht in de opleiding tot huisarts, wat hem eigenlijk niet goed beviel.
In die tijd was hij al wel in zijn vrije tijd bezig met beeldhouwen en houtbewerking, en dat smaakte naar meer. Op dat moment werkte hij als co-assistent op Groot Graffel, een psychiatrische kliniek, maar woonde nog in Enschede. Daar ontmoette hij een verpleegster uit Zutphen met wie hij een relatie kreeg. Zo leerde hij Zutphen kennen en was hij gelijk verkocht. Destijds bestond de stad nog uit vele doorkijkjes met kleine ateliers en kleinschalige winkeltjes, wat een enorme aantrekkingskracht op hem had. Hij besloot dat hij hier wilde wonen en werken.
Hij bouwde zijn eerste instrument, een blokfluit, bij fluitenbouwer Jan Bouterse. Zo kwam hij in aanraking met een totaal andere wereld dan die van de klinische ziekenhuiswereld waar soms haantjesgedrag heerste. Hier hielpen mensen elkaar verder in het maken van instrumenten. Vervolgens volgde hij de allereerste cursus in Nederland tot vioolbouwer, gegeven door de amateurvereniging van musici onder leiding van Kees Roos, toen hij 24 jaar oud was. Die cursus fascineerde hem dermate dat hij besloot het roer om te gooien. Hij vond het geweldig om dat als vak uit te kunnen oefenen, en nog wel in Zutphen!
En zo verbrandde hij op een goede dag al zijn schepen achter zich, zegde alles op en koos met overtuiging voor een toekomst als vioolbouwer. Op dat moment waren er wel een aantal opleidingen in Europa, maar hij belandde in Groot-Brittannië, waar hij een driejarige opleiding volgde. Het ministerie van WVC gaf daar subsidie voor en zijn vriendin hielp hem met de rest van de kosten. Grappig detail is dat bij het ministerie iemand zat die over de subsidies ging en die vond dat de vioolbouwer als een door God gegeven geschenk moest worden beschouwd. Zo werd de financiële tegemoetkoming makkelijk gegeven.
Omdat hij al vaak op reis was geweest door Engeland en er een grote affiniteit mee had, vond hij het geen straf om er een tijd te wonen. Tegelijkertijd leerde hij het land van een andere kant kennen tijdens de periode van Thatcher, waarin de tegenstellingen tussen upperclass en lowerclass soms schrijnend zichtbaar waren. Dit zorgde ervoor dat hij later met andere ogen naar Nederland ging kijken: ons land was niet zo uniform en gemiddeld als hij altijd had gedacht. Het sociale karakter van ons land werd daardoor ineens meer zichtbaar voor hem.
Tijdens de opleiding was het eerste jaar gericht op nieuwbouw van instrumenten, het tweede jaar op reparatie en restauratie, en het derde jaar op beide plus voorbereiding op het eindexamen. Hij vertelde me dat drie jaar eigenlijk kort is, je leert er de basisprincipes, maar de echte kennis doe je op als je werkzaam bent in een atelier.
Vervolgens werkte hij een tijd in een atelier in Brussel en later in Amersfoort, waar hij het vak echt leerde. Hij leerde werken met mooie instrumenten, kreeg respect voor oude instrumenten en leerde de kneepjes van het vak. Hij vertelt er met prachtig enthousiasme over. Begin jaren negentig begon hij langzaam met het opbouwen van zijn eigen atelier in Zutphen. Eerst parttime en uiteindelijk fulltime. Hij zit nog steeds op dezelfde plek, aan de Waterstraat.
De keerzijde van zijn prachtige ambacht is de financiële onzekerheid van het zelfstandig ondernemerschap. Als arts dacht hij nooit na over inkomen, maar als eigenaar van een atelier is dat anders. Overigens speelde dat bij zijn keuze helemaal geen rol: hij was enthousiast en ging ervoor, zonder stil te staan bij de vraag of hij er zijn hypotheek van kon betalen. Achteraf bleek dat hij op een goed moment was begonnen op een prima plek.
Vandaag de dag heeft hij een bloeiend atelier waar musici van binnen en buitenland hem weten te vinden voor zijn expertise in violen en cello’s. Zowel voor reparatie als nieuwbouw, advies bij de aanschaf van snaren, en zelfs voor de verhuur van instrumenten.
De vakman over wie ik dit mocht opschrijven is mijn buurman, maar bovenal de sympathieke vioolbouwer Michael van Berkum!
Facebook ‘Frank Mossink’








