Rond

Voorbijgangers zullen vast denken dat we op fietsvakantie zijn; jij met je roze helm en Pokémon-rugtas op en ik met propvolle fietstassen en twee strandstoeltjes aan de leuning van een onbevolkt achterzitje. We hoeven maar tien minuten te fietsen. Het is wél en geen vakantiebestemming en boven alles een dagje strand op gras: met een rond kleed en een vierkanten koeltas. En o ja, in eigen stad. De Waterwerken bieden elke zonnig vrije dag het uitzicht op vertier (mede dankzij klapstoeltjes die om de haverklap omklappen onder het gewicht van volwassen billen die ontspannen willen).

Zomers proviand wordt uitgestald en winters wit ingevet. Ik zie sproeten verschijnen en kruidenkaas op een handdoek belanden. Ze heeft zowel een waterpistool als een komkommer in handen en ik er weinig om. We bakenen grenzen af die niets met politiek hebben te maken, maar ter preventie van te water raken. De wind blaast zowel onze fietsen omver als de wolken opzij en iedereen lijkt blij. Huilbuien zijn van korte duur, wie fronst doet dat vanwege de zon en plassen mag verderop zonder andersoortige donatie.

Plukjes gezelligheid nemen het veld aan de IJssel in en mijn zonnebril op sterkte staat me toe alles scherp in me op te nemen. Bijvoorbeeld hoe dat ene jeugdige groepje voorbijloopt; sjokkend lichtvoetig, in een lichamelijke impasse tussen babyvet en de molligheid van vrije keuzes in. Niet esthetisch knap, of volgens social media-standaard, maar prachtig van schoonheid in eigenheid. Een inner circle outcast-groep. Met pizzadozen zo divers als zij; vier kazen en glutenvrij, van extra worst tot vegetarisch en ananas met ansjovis. En dat het allemaal goed is. Of sowieso goed genoeg.

Ik denk aan hoe je dat koesteren moet. Zeker in een wereld waarin je zwarte schermen krijgt op Snapchat en van iedereen een locatie hebt, opdat je vaak nog enkel aannames doen kan over waarom jij daar niet bent en zij wel. Jij weet dat gelukkig nog niet en bent alleen nog maar hier; in een DIY-modderbad dat inmiddels je hele lijf omvat.

Wanneer je zwartgeblakerd doch smetteloos naar huis fietst, zie je langs de kade een kleine vrouw in brons gegoten elk weertype doorstaan. Zowel sober als zacht staart ze vertes dichterbij. ‘Wie is dat nou weer?’, vraag jij. ‘Dat is Ida, lieverd. Ze schreef gedichten.’ Daar moet je even over nadenken. ‘Net als jij’, stel je. En ik dat ik dat wel zou willen. Al zijn we samen soms ineens net van steen; standbeelden in de tijd. Zij omdat dat haar toekomt en ik omdat ik er niet uitkom. Maar vandaag was alles voelbaar vloeibaar, gooiden we enkel met hemelse modder en maakten pizza’s de wereld weer rond.

‘Dag Ida’, roepen we ‘fijn dat je er stond.’