Roze vingers
Wij waren er ook hoor, mensen; op de route van sierplant naar bodembedekker, langs gieters, servies en waterornamenten. Nabij klokken, tijdsgeest en trendgevoeligheid, voorbij aan meerjarig groen en bodemonderscheid. Tussen karren van vervulling, tot verveling en voldoening, in de tussentijd van wortelen en wensen om voeding. Onszelf in ontspanning bemestend met de potentie tot meer, opzoek naar nieuw gewas of beplanting van weleer. Commercieel beïnvloed door wat heus goedkoper kan, doch in ontspannen nonchalance vatbaar voor de glans. Een dwangmatig pad volgend met schuttingen van rekken, hetgeen je nooit zocht de pas niet afsnijdend. Tussen vegetatie vol sprieten en fruitbomen in; dit gelaten leeghoofdig tevreden gezin.
Dat zich meevoeren laat op de stroom van een ander en met alle winden mee steeds van visie verandert. Misschien komt het omdat we de labels niet snappen en daardoor niet weten of we opbloeien mogen. Maar ons dat eigenlijk ook geen zak meer kan boeien. En of het tuinaarde is, of potgrond ook doet groeien.
Omdat we de tuin innemen zouden en het zonnetje ingaan, maar veel langer dan gepland in dit groeicentrum staan. Jij toch maar die cheesecake en ik een salade, en dat ik daarna alsnog de appeltaart ging halen. En terwijl zij de binnenspeeltuin bespeelt, stijgt bij mij de binnenpret; om hoe ik mezelf in de tijd heb gezet. Dat kunstliefhebbers blijkbaar ook onderhevig zijn aan kuddes en hoe ik mijn hart hier blijmoedig zit te vullen. Terwijl jij lanterfantend terugloopt omdat je snelbeton moet halen en ik vanaf mijn zitvlak naar ons nageslacht blijf zwaaien.
En dan heel langzaam gedrieën weer verder in de benen, want de catering bleek uiteraard listig halverwege. Jij stept de winkelwagen ongemerkt als een puber door de paden, onze dochter is een hondje van steen aan het aaien. Naast mij loopt een man met zijn moeder te dralen. ‘We skippen de zijden bloemen’, zegt ie ‘die hebben we gisteren al gedaan.’ En ineens voelt alles veel minder oppervlakkig aan, bewonder ik keramieken potten die in lange rijen staan en knik berustend wanneer jij nog langs de cactussen wil gaan; geen ziel of zondigheid krijgt mij nog prikkelbaar.
Zelfs niet wanneer de zon langzaam zakt als we de N-weg weer berijden, waardoor de rododendrons in de achterbak de grond vanavond niet bereiken. Blijkbaar kun je moeiteloos tussen kunstmatig opfleuren, tenminste als de juisten je karretje omringen, je niets de grond intrapt, maar om lichter blijft wensen. ‘Wanneer komen deze uit?’, vroeg je bij dat label dat we niet snapten. ‘Als de zon schijnt, denk ik’, zei ik. En dat we toen lachten.
Mijn groene vingers zijn vandaag voor roze doorgegaan.
En de bril die ik droeg sloot daar naadloos bij aan.