Singer-songwriter

Singer-songwriter

De nachtegaal heeft vele noten op zijn zang, maar nooit wordt hij bombastisch. Hij laat graag luidkeels van zich horen en is ook zelf vaak bezongen. Een nieuw boek van Dick de Vos heet Ode aan de nachtegaal (uitgeverij KNNV), de titel verwijst naar een gedicht van de Engelse romanticus John Keats (1795-1828): Ode to a Nightingale. Daarvan heb ik sinds de middelbare school deze regel altijd onthouden: ‘Thou wast not born for death, immortal Bird!’ Een zingende nachtegaal weet van geen ophouden, hij lijkt tot in de eeuwigheid door te gaan. Keats schreef het op zijn drieëntwintigste; hij wist dat hij ziek was. Hij zou slechts vijfentwintig worden.

Een leeftijd die nachtegalen trouwens nooit halen. Zo onsterfelijk (‘immortal’) zijn ze nu ook weer niet.

Hun grootse zang in de kleine uurtjes heeft nachtegalen met roem omkranst. Hun verdere leven verloopt onopvallend, ze moeten het stellen zonder spectaculaire kleuren en nestelen tussen de brandnetels. Een nachtegaal ontmoet je bijna altijd alleen in audio.

Hoe diep in de nacht het ook is, je kunt niet anders dan stil blijven staan om bewonderend te luisteren naar zijn composities. Wat een variatie, wat een ritme, wat een crescendo’s, wat een muzikant!

Ietwat ontnuchterend schrijft Dick de Vos: ‘Nachtegalen die ’s nachts zingen hebben nog geen vrouwtje gevonden.’

Is dat een verklaring voor de droefenis die teksten over nachtegalen óók nogal eens kenmerkt? In de klassieke oudheid werd verteld van een vrouw die per abuis haar eigen zoon doodde, waarna oppergod Zeus haar in een nachtegaal veranderde, veroordeeld tot het zingen van haar ‘melancholieke klaagzang’ tot in de eeuwigheid.

Helaas zijn nachtegalen uit onze omgeving de afgelopen decennia vrijwel verdwenen. Met stille trom. In de duinen zijn ze nog wel talrijk.

Om beoogde partners van hun kwaliteiten te overtuigen, staat nachtegalenmannetjes geen ander middel ter beschikking dan zingen. Wat natuurlijk ook geldt voor minimalistischere zangvogels, zoals de tjiftjaf. Hoewel je diens zang als monotoon kunt bestempelen, zal een vrouwtjestjiftjaf toch nooit voor een nachtegaal vallen, maar altijd voor haar tjiftjaf. Vrouwtjesvogels luisteren met kritisch oor naar mannetjesvogels, of het nu nachtegalen zijn of tjiftjaffen, merels of mussen.

Bij mensen hebben nachtegalen vanwege hun specifieke singer-songwritercapaciteiten al eeuwenlang een streepje voor.

Dick de Vos schenkt ons tal van voorbeelden uit muziekgeschiedenis, beeldende kunst en literatuur. Hij noemt de vogel ‘larger than life’. In navolging van de Vlaamse negentiende-eeuwse dichter Guido Gezelle:
Want mensche en heeft u nooit verstaan/ noch al uw’ rijkdom recht gedaan, / o wondere tale/ van koning Nachtegale!

We kunnen het lied van de nachtegaal niet meezingen. Niet eens noteren. Er zijn wel pogingen ondernomen. Onder anderen door de antieke schrijver Aristophanes in zijn komedie De vogels:

io, io, io, ito, ito, ito
tio tio tio tio tio tio tio tio

tio-to trio-to toto-brix!
toro-toro toro-toro-tix

toro-toro toro-toro li-li-lix
toro-tix toro-tix

to-toto-to to-toto-to to-to
ti-tit-ti ti-tit-ti ti-ti ti-ti

En dat tot in de eeuwigheid.