Ria Boxtart. Foto: Alize Hillebrink
Ria Boxtart. Foto: Alize Hillebrink

Ria Boxtart, dochter van verzetsheld: ‘Niet praten is het slechtste wat er is’

Maatschappij

Vermoorde Zutphense verzetsheld Hermanus Boxtart herbegraven

ZUTPHEN - Ria Boxtart (1943) was twee jaar toen haar vader werd doodgeschoten door de Duitse bezetter. Het beïnvloedt haar leven tot op de dag van vandaag. “Ik mis hem nog altijd.” Op 31 maart 2022 wordt haar vader herbegraven op het Nationaal Ereveld in Loenen.

Door Alize Hillebrink

Al 34 jaar geeft Ria Boxtart gastlessen aan tieners. Ze vertelt hen over haar vader, een verzetsheld in de Tweede Wereldoorlog, die twee weken voor de bevrijding van Zutphen, werd vermoord. En over hoe de dood van haar vader, de oorlog en het verzetswerk van haar ouders, haar nog iedere dag beïnvloedt.

Op tafel ligt een rozenkrans. Ria pakt het gebedssnoer en laat de kralen door haar vingers rollen. “Ik vertel straks waarom ik deze bij me heb,” zegt ze tegen de groep twaalf- en dertienjarigen van basisschool de Bongerd. Aan het einde van haar verhaal kan ze, evenals enkele kinderen in de groep, het niet droog houden.

‘Ik wilde niet geloven dat hij dood was’

Ria is zeven jaar oud als haar moeder een telefoontje krijgt dat ze gevonden is. Het meisje is al de hele middag kwijt. Hoewel de oorlog al enkele jaren voorbij is, wil de jonge Ria nog steeds niet geloven dat haar vader dood is. Ze blijft zoeken naar haar vader. In Zutphen en over de IJsselbrug, in de Hoven. Ze spijbelt zelfs van school om hem te zoeken. “Ik wilde niet geloven dat hij dood was. Ik vroeg aan iedereen die ik tegenkwam: ‘weet u waar mijn papa is?’ Als reactie kreeg ik vaak te horen: ‘daar moet je niet over praten, daar doe je je moeder heel veel verdriet mee. Je moet lief zijn’. Maar dat lief zijn niet helpt ontdekt Ria al snel. “Als papa terugkomt, gaat mama misschien ook weer normaal doen, dacht ik.” De eerste tijd na de oorlog woont Ria bij haar opa en oma in de Kuiperstraat en ziet haar moeder weinig. “Eigenlijk was ik allebei mijn ouders kwijt.”

De eerste jaren na de oorlog zijn voor haar moeder, Ada Brinker, het zwaarst. Haar man Herman is op 31 maart 1945, samen met negen anderen, geëxecuteerd op de IJsselkade. De Duitsers gooiden de lichamen in de IJssel. Veertien dagen later, op 14 april, wordt Zutphen bevrijd. Herman is dan nog niet teruggevonden. Op 20 juni 1945 wordt hun dochter Tineke geboren. Een maand later, op 20 juli 1945, wordt haar man Herman teruggevonden.

Rotmof
“Mijn vader had een vreselijke hekel aan de Duitsers,” vertelt Ria. “Mijn eerste woordje als kind was ‘rotmof’.” In het begin vertelde mijn vader niemand wat hij deed. Ook mijn moeder niet. Dan kon dat anderen ook niet in gevaar brengen. ‘Wat je niet weet, kun je ook niet verraden’, zei hij. Haar moeder raakt gaandeweg betrokken bij zijn verzetswerk en gaat ook verzetsactiviteiten ondernemen. “Mijn moeder smokkelde wapens in de kinderwagen waar een dubbele bodem in zat. Mijn zusje lag er als baby bovenop.” Op een dag loopt Ria naast de kinderwagen aan de hand van haar moeder. “Aan de overkant van de straat zag ik een Duitser en riep: rotmof! Mijn moeder schrok zich dood, maar gelukkig liep het goed af.” Haar vader neemt Ria ook regelmatig mee op de fiets. “Hij stopte dan voedselbonnen en persoonskaarten onder mijn kleren.”

Door de gebeurtenissen is haar moeder getraumatiseerd. “Ze heeft het nooit kunnen verwerken. Ze kwam er nooit overheen. Ze was angstig en had ’s nachts vaak last van nare dromen. Als kind wist ik nooit hoe mijn moeder zou zijn als ik thuis kwam. Ze kon boos zijn, of lief zijn. Ik snapte het niet als kind. Ik vond het eng. Nu, als volwassene, snap ik het.”

Haar moeder hertrouwt en krijgt nog drie meisjes, maar Ria kan de nieuwe man van haar moeder niet accepteren. “Het was een hele liefdevolle man, die als een vader voor mij zorgde, maar ik wilde dat niet zien.”

Ria blijft vragen stellen over de oorlog en over haar vader. “Ik wilde weten: wat voor een man mijn vader was. Een boef, een avonturier of een held? Ik wist niets. Mijn moeder vertelde niets. Ik had geen idee. Ik was iedere dag met mijn vader bezig.” Uit frustratie gaat ze naar de bibliotheek. “Ik las boeken over de oorlog. Tegen de bibliothecaresse zei ik dat de boeken voor mijn oom waren of voor mijn opa.” Ze leest over concentratiekampen en martelingen. “Ik werd bang, ging slecht slapen en verloor mijn zekerheid en zelfvertrouwen.”

Als de tweede man van haar moeder plotseling overlijdt moet Ria op haar zestiende stoppen met school en gaan werken. Als ze 18 is gaat ze de verpleging in, in het ziekenhuis in Roermond. “Tegelijkertijd was het een vlucht uit huis. Ik voelde me daar erg schuldig over, maar het gaf me een beetje rust, ik kon dingen een beetje loslaten.”

‘Dat is geweest, daar praten we niet over’

Als Ria zelf trouwt en kinderen krijgt, komen de angsten weer terug. “Weer werd ik onzeker en wederom wilde ik alles te weten komen over mijn vader, maar opnieuw kreeg ik het antwoord: ‘Dat is geweest, daar praten we niet over, dat is voorbij’. Mijn moeder sprak nooit over de oorlog. Mijn eigen kinderen hadden er last van dat ik er zoveel last van had. Toen besloot ik om in therapie te gaan.” In 1989 richtte Ria Boxtart samen anderen de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers op.

Op een dag ontmoet Ria iemand die haar vertelt dat hij haar vader heeft gekend. “Hij vertelde over de schuilplaatsen die mijn vader maakte op het kerkhof, over de Joden en andere vluchtelingen die hij verborg en dat hij hem met een bootje over de IJssel had gebracht. ‘Jouw vader heeft mij gered, zei hij. Jouw vader is een held’.” Ze besluit een oproep te doen in de krant of er mensen zijn die haar vader gekend hebben. “Er kwamen ontzettend veel reacties: de dokter die hem opereerde, de verpleegster die hem verzorgde, andere verzetsstrijders en mensen die hij geholpen had.” De briefschrijvers zoekt ze persoonlijk op en beetje bij beetje reconstrueert ze het verhaal van haar vader. “Zo heb ik mijn vader leren kennen.”

Rozenkrans
Op een dag ontmoet ze een man die vertelt dat hij samen met haar vader in de gevangeniscel heeft gezeten. “Op het moment dat hij de moed verloor gaf mijn vader aan hem zijn rozenkrans. Kort daarna werd mijn vader uit zijn cel gehaald waardoor hij hem de gebedsketting niet kon teruggeven. Al die jaren had hij die rozenkrans bewaard.” De man overhandigt Ria de gebedsketting en Ria laat hem aan haar moeder zien. “Mijn moeder werd spierwit. Ze vertelde dat mijn vader de ketting altijd in zijn zak had.” Ria pakt hem van tafel en opnieuw laat ze hem door haar vingers glijden. Ze kijkt naar de kinderen die ademloos zitten te luisteren. “Dit heeft mijn vader dagelijks in zijn handen gehad. Het is het enige wat ik van hem heb.” Ze onderbreekt haar verhaal en probeert haar tranen weg te slikken. Ook enkele kinderen houden het niet droog.

In haar laatste levensjaar lukt het moeder Ada eindelijk om met haar dochter te praten. “We hadden beiden onze eigen worsteling met de oorlog,” zegt Ria. “We spraken over onze relatie en over de oorlog. Hierdoor ontstond er begrip voor elkaar. Het was goed, maar er was wel een heel mensenleven voor nodig.”

Ria mist haar vader nog iedere dag. “Maar ik ben ook trots op hem dat hij mensen die in nood waren niet in de kou liet staan.” Geen enkele oorlog is het waard om gevoerd te worden, zegt ze. “Heb respect voor elkaars mening en blijf luisteren naar elkaar. Niet praten is het slechtste wat er is.”

Hermanus Boxtart 1918 – 1945


Herman Boxtart in de oorlog. Foto: Privé

De Zutphense verzetsheld Herman Boxtart werd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog gefusilleerd door de Duitsers. Op 31 maart 2022 wordt hij herbegraven op het Nationaal Ereveld in Loenen.

Op 1 april 1940, een maand voor Duitse troepen Nederland binnenvallen, komt Hermanus Jozef Boxtart (Herman) als motorordonnans in dienst bij het Korps Motordienst. Met de motorfiets bezorgt hij vertrouwelijke berichten door heel Nederland. Als hij na de bombardementen op Rotterdam een bezoek brengt aan de in puin geschoten stad, besluit hij in het verzet te gaan. Als je iets wil veranderen, dan moet je zelf handelen. Klein of groot, je moet zelf iets doen, vindt hij. Herman wordt verzekeringsagent, krijgt een fiets en leert door zijn werk veel mensen kennen. Al gauw heeft hij in de gaten wie hij kan vertrouwen en wie niet.

In 1942 trouwt hij met Agatha Wilhelmina Maria (Ada) Brinker. Als bijbaantje werkt hij als beheerder op de Rooms Katholieke Begraafplaats. Het echtpaar komt te wonen in de beheerderswoning op de begraafplaats waar op 14 maart 1943 dochter Ria wordt geboren. Op 16 april 1944 volgt hun tweede dochter Mieke.

Met een groep anderen onderneemt Herman verzetsactiviteiten. Hij geeft schietles en leert mensen met wapens omgaan. Herman graaft nep-graven die als schuilplaats dienen en voor de opslag van wapens. Onderduikers en wapens, illegale bladen, gestolen identiteitspapieren en voedselbonnen worden verborgen op de begraafplaats.

Op Dolle Dinsdag, in september 1944, besluit Herman de geallieerden tegemoet te rijden om ze te helpen. Samen met een medeverzetsstrijder steelt hij benzine van de Duitsers. Hij wordt gesnapt en opgepakt. In het Huis van Bewaring aan de Martinetsingel wordt hij gemarteld. In de rechtszaak wordt hij veroordeeld naar kamp Neuengamme. De dag van transport komt er niet, omdat de treinen niet rijden vanwege de gevechten. Herman krijgt van het verzet de instructie een blindedarmontsteking te fingeren waarna zijn verzetskameraden hem uit het ziekenhuis zullen bevrijden. De Duitsers ruiken onraad en sturen iemand mee naar het ziekenhuis die tot in de operatiekamer bij hem blijft. Het kost Herman een gezonde blinde darm, maar via aan elkaar geknoopte kleding en lakens weet hij te ontsnappen. Zodra de Duitsers zijn ontsnapping ontdekken wordt zijn vrouw Ada opgepakt, verhoord en na vierentwintig uur weer vrij gelaten.

Herman Boxtart duikt op verschillende plekken onder. Om niet herkend te worden laat hij zijn snor staan en draagt hij een bril. Op een dag in februari wordt hij in Vierakker herkend, verraden en opgepakt. De Canadezen vechten dan al in Warnsveld. De Duitse nederlaag is nabij.

Op 31 maart 1945, een paar dagen voor de bevrijding van Zutphen wordt Herman Boxtart in opdracht van SS’er Ludwig Heinemann met negen anderen op de IJsselkade doodgeschoten. Herman is dan 26 jaar oud. De lichamen worden in de IJssel gegooid. Eén van de slachtoffers heeft de executie overleeft: de kogel ketst af op een knoop van zijn jas. Hij houdt zich dood en weet zich in veiligheid te brengen. Veertien dagen later is Zutphen bevrijd.

Ada is oorlogsweduwe en zwanger van hun derde dochter Tineke. Sinds de Duitsers haar en haar twee kinderen op straat hebben gezet is ze ook nog dakloos. Als Ada na de bevrijding terugkomt in het huis op de begraafplaats ontdekt ze dat het volledig is leeggehaald. Dochter Tineke wordt op 20 juni geboren. Een maand later en vier maanden na de executie op de IJsselkade, wordt op 20 juli 1945, Hermans lichaam gevonden. Herman wordt met militaire eer begraven op de Rooms Katholieke Begraafplaats in Zutphen, de begraafplaats waar hij woonde en van waaruit hij zijn verzetsdaden heeft gepleegd.

Hermanus Jozef Boxtart krijgt postuum het Verzetsherdenkingskruis en het Mobilisatiekruis toegekend. Op 1 oktober 2021 is hem de Legion of Honor Humanitarian Award of the Chapel of Four Chaplains toegekend.

Op 31 maart 2022 wordt het Hermanus Jozef Boxtart herbegraven op het Nationaal Ereveld Loenen.

Herman Boxtart in de oorlog. Foto: Privé
De kinderwagen waarin wapens werden gesmokkeld. Foto: Privé
Ada Boxtart-Brinker met haar dochtertjes Ria en Tineke. Foto: Privé

Advertenties doorgeplaatst vanuit Contact Zutphen-Warnsveld