A.L. Snijders | Geitenogen

  Column

We zitten op een bankje in een bos, ik heb een hoed op tegen de felle zon. Dat is in een bos niet nodig, maar in ons geval wel, want het pad dat wij volgen verlaat het bos regelmatig. We hebben het bos gevonden zonder kaart of boek. We reden er een jaar geleden langs en probeerden de buitenkant. 

Het is een aantrekkelijk bos, we bezoeken het regelmatig, het wordt ons langzaam vertrouwd. De droogte is verontrustend, de vijvers liggen droog, de eenden zijn verdwenen. Het is te warm om hout voor de kachel te sprokkelen, mijn houtkachel zal nooit meer branden, we moeten ons instellen op de Grote Zomer die drie eeuwen zal voortduren. Dit denkbeeld heeft zich in mij vastgebeten – als ik het niet herroep bij mijn volgende bezoek aan de internist, zal hij de assistent onmerkbaar toeknikken. Ik zal mijn huis niet terugzien en in de Zorg eindigen. Er komen twee vrouwen op ons af, ze kalmeren me al op vijftig meter afstand, ik trek de klep van het fabuleren dicht en toon m’n getemde allemansgezicht. Hun eerste vraag is of wij weten waar de heide is. Ze weten geen hei in deze buurt. Ze vertellen dat ze geen vreemdelingen zijn, ze zijn in de Achterhoek geboren en wonen er nog steeds. Ze maken een uitgestippelde wandeling van verschillende dagen, en deze dag is dat de Heideroute. Ze willen heide zien en eigenlijk niet spijbelen. Dat ze ons vragen is al een inbreuk op hun trots. Ik vermoed dat ze op de rand van het verwijt staan, ze willen me vragen of ik misschien de ontwerper van de Heideroute ben. Ze doen het nog niet, het contact is nog te jong. Dit is voor mij het moment om me bekend te maken als paardenhandelaar. Ik doe dat omdat we seffens een paardenboerderij zullen passeren. Mijn vader had hier in de jaren dertig een paardenfokkerij, waarvoor hij regelmatig een Arabisch land bezocht. Hij sprak de taal en voegde zich koudbloedig naar de ongehoorde gewoonten van zijn gastheren. Die serveerden kommetjes gevuld met glanzende geitenogen. Hij zette het kommetje aan z’n mond en slurpte de ogen naar binnen. De meeste Europeanen deinsden terug voor deze lekkernij en verspeelden hun aanzien als betrouwbare handelaar. Mijn vader was koud als een standbeeld en kwam met Arabische hengsten naar huis. Terwijl ik hieraan dacht, trok ik me terug uit m’n voornemen de twee wandelende vrouwen met de verhalen van mijn vader lastig te vallen. Ik hield het bij de mededeling dat in de jaren dertig het grootste deel van deze bossen uit heidegrond bestond en dat mijn vader hier bij z’n paardenfokkerij woonde. Toen ze wegwandelden, ging ik achter een grote beuk staan en kotste. Ik had al genoeg aan het woord geitenogen.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden