A.L. Snijders | Twee verhalen

  Column

Ik was onlangs in Amsterdam in de buurt van het huis waar mijn moeder als eenjarige uit het raam van de vierde verdieping was gevallen. Ze sloeg met haar vuistjes tegen een hor dat naar buiten viel – zij viel er achteraan. Haar moeder zag het en rende naar beneden. De hor was er eerder dan het kind, sprong terug en brak haar val. Ze bleef ongedeerd. Het gebeurde in 1912, ik werd in 1937 geboren, mazzel. Onlangs betekent vijf dagen geleden, 10 juni 2020. Een vrouw vroeg me waar ik naar keek, ik vertelde het en wees het raam aan. Ze slaakte een kreet en hield een hand voor haar mond. Het bleek haar huis te zijn. Ik verzin wel eens verhalen, ik was blij dat ik dat in dit geval niet had gedaan. Later in de auto op de terugweg naar de Achterhoek, vroeg ik me af waarom het erg is als iemand schrikt van een verzonnen verhaal. Ik kon deze vraag niet bevredigend beantwoorden.

Nu volgt een verhaal dat ook niet verzonnen is.

Toen ik nog in Amsterdam woonde (en zelden in de Achterhoek kwam) was ik bevriend met iemand die naast me woonde. Ik wil zijn achternaam niet noemen, zijn voornaam is Gerrit. Hij werkte bij een filmbedrijf, bij de afdeling animatie. Hij was een technicus, hij kon alles maken en repareren. Hij woonde alleen, bij de vrouwen was hij zeer populair, maar hij woonde alleen. Hij had jaarlijks drie weken vakantie, die hij volledig benutte. Hij kwam vrijdag om zes uur thuis, laadde de duikspullen in zijn tweedehands auto, Citroen 2CV, en vertrok om zeven uur richting Spanje. Hij had een fles water bij zich en enige Mars-repen. Als hij moe werd, zette hij de auto aan de kant en sliep een uurtje achter het stuur. Ik weet niet na hoeveel uur hij in Barcelona arriveerde. Ik heb het wel geweten, maar het is te lang geleden voor m’n traag werkende hersens. Hij parkeerde de auto in de haven en ging met een schip naar een groot eiland dat omringd werd door een vloot van meest onbewoonde kleine eilandjes. Hij bleef op zo’n eilandje tot de laatste werkzame minuut. Hij ging dezelfde weg terug en reed op de maandagochtend dat hij op zijn werk verwacht werd precies op tijd de parkeerplaats van het filmbedrijf op, zei iedereen goedendag en ging aan het werk tot het volgende jaar. Ik zag hem na z’n drie weken vakantie dus altijd op maandag zes uur thuiskomen. Ik ging dan naar hem toe en begroette hem alsof ik van niets wist. Ik wist dat hij elke dag gedoken had naar grote diepten en in rotsspleten die zo smal waren dat hij zijn fles van zijn rug moest nemen en onder zich moest houden. Hij leefde zeer gevaarlijk en als hij vast was geraakt, was hij daar onder water gebleven, want niemand wist waar hij zich bevond. Zijn terugkomst was iedere keer een opluchting, maar ik liet nooit iets merken.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden