Keuring en inschrijving van kinderen voor uitzending, 1945, Nationaal Archief.
Keuring en inschrijving van kinderen voor uitzending, 1945, Nationaal Archief.

Weemoed en verlangen - Zutphense kinderuitzendingen in 1945

ZUTPHEN - In Weemoed en verlangen portretteert Alize Hillebrink (journalist van Achterhoek Nieuws) Zutphense inwoners die als kind na de Tweede Wereldoorlog werden uitgezonden naar het buitenland. Henk Terink (1933) was elf jaar toen hij voor negen maanden werd uitgezonden naar Zweden. Een voorpublicatie.

Om bij te komen van de Tweede Wereldoorlog werden in 1945 duizenden kinderen uitgezonden naar het buitenland. Ook Achterhoekse kinderen namen hieraan deel. Opgenomen in pleeggezinnen in Engeland, Zweden, Denemarken of Zwitserland, kregen zij de kans om te herstellen van de ingrijpende en vaak traumatische ervaringen die zij tijdens de oorlog hadden meegemaakt. De maandenlange uitzending ver weg van huis zorgde voor een ervaring die het leven van deze kinderen voorgoed veranderde. De kinderen van toen zijn nu tachtigers. Vijfenzeventig jaar later vertellen Zutphense inwoners over de periode waarin ze liefdevol werden opgenomen in pleeggezinnen.

Henk is de elfde in een gezin van zestien kinderen. Het gezin woont in een klein arbeidershuisje in de Lievenheersteeg in Zutphen. “Een woonkamer van 4x4, een voorkamer en een zolder.” De kinderen slapen allemaal op zolder. “We sliepen met z’n vieren in één bed.”

'Ik was daar een bezienswaardigheid. Mensen stopten me zelfs geld toe. Ze noemden me de knuffelhollander'


Zijn vader werkt bij de Heidemaatschappij. “Hij groef kanalen, zoals het Eefdese kanaal. Hij werkte dan weer hier en dan weer daar. Hij reed naar Bathmen, Ruurlo en Vorden op de fiets.” De inname van Zutphen door de Duitsers kan Henk zich nog goed herinneren. “We zagen de pantserwagens vlakbij ons huis. Met veel bravoure kwamen ze aanrijden. De volwassenen hoorde ik zeggen: ‘zeg maar niks, ze schieten je zo dood’.”

De armoede tijdens de oorlog is groot. Meestal staat hij al om zes uur ‘s ochtends in de rij bij de bakker. “Het duurde vaak heel lang voordat ik aan de beurt was en dan kon het gebeuren dat in de tussentijd het brood op was.” Vaak gaat hij zonder eten naar school. “Tussen de middag kregen we op school eten, uit de gaarkeuken. Altijd stamppot. De hele week niks dan stamppot.” Een enkele keer krijgen ze op zondag ‘eten apart’* en dan is het feest.

Thuis wordt hij het ‘huusmenneke’ genoemd. “Ik was zorgzaam. ‘Vraag maar aan Hennie’ zeiden ze altijd. Mijn moeder kreeg in totaal twintig kinderen. Twee kinderen werden er doodgeboren, twee overleden na hun geboorte door ziekte. Ik kwam altijd voor mijn moeder op. Ik hielp haar zoveel ik kon.”

Ook doet hij boodschappen voor de Duitse soldaten. “Zoals schoenen naar de schoenmaker brengen of tabak halen. Dan kregen we wat te bikken.” Eén keer krijgt hij zelfs een koeienkop mee naar huis.

Achteraf heeft hij psychisch van de oorlog wel een klap gehad. “Ik zag hoe Joden in een vrachtwagen werden geduwd. En hoe een Duitse soldaat in elkaar werd geslagen.” De laatste dag voor de bevrijding zit zijn zestienjarige zus bij familie op de Mars. Schuilend in de kelder raakt het meisje dodelijk gewond en overlijdt. “Mijn ouders hoorden pas de volgende dag dat ze overleden was, toen Zutphen was bevrijd.” Na de bevrijding is de armoede nog steeds groot. “Eigenlijk hadden we het na de oorlog nog slechter dan in de oorlog.”


Foto van Henk Terink (10 jaar, midden) met zijn broers en zus, circa 1943, Privéarchief

Op een dag krijgt hij een oproep voor een kinderkeuring. Samen met zijn moeder gaat Henk naar het Algemeen Ziekenhuis aan de Coehoornsingel waar hij wordt gekeurd en afgewezen. “Ik weet niet waarom, maar ik viel buiten de boot.” Als zijn moeder een nieuwe oproep krijgt gaan ze weer naar het ziekenhuis. Deze keer wordt hij wel toegelaten. Samen met zijn schoolmaatje Wim mag hij naar Zweden. Zijn broertje mag naar Engeland.

Ze vertrekken vanaf het ziekenhuis aan de Coehoornsingel. “Met een stuk of twintig kinderen en twee begeleidsters van het Rode Kruis, in viswagens. Ik weet nog dat ik een klein koffertje bij me had. Dat sloeg nergens op, want er zat niks in.” Op de bodem van de vrachtwagens ligt stro om op te zitten. “De schuifdeuren bleven open, anders kregen we geen lucht. Gelukkig zaten er houten rekken voor, zodat we er niet uit konden vallen.”

Van de reis kan hij zich niet veel meer herinneren. Hij weet nog dat ze in Malmö in een jeugdherberg of hotel verbleven. “We werden ontsmet, ontluisd, gewassen en kregen schone kleding. Onze oude kleren werden weggegooid.”


Transport met koelwagens naar Scandinavië, 1945, Beeldbank WO2, Libertum

Na drie weken worden de kinderen met de trein naar pleeggezinnen gebracht. “Op elk station waar we stopten stonden mensen te juichen en te zwaaien en kregen we snoep.” De trein wordt steeds leger tot Henk en zijn neef als enigen over zijn.

Als Henk in Ånge moet uitstappen, is het al donker. Zijn neef blijft alleen achter. “Wim ging naar Härnösand.” Henk overnacht bij mensen op een bank in de woonkamer. “De volgende dag haalde mijn pleegmoeder mij op en reden we naar ons huis in Alby.”

Het is het moment dat Henk beseft hoever hij van zijn huis is en hij krijgt acuut heimwee. “Ik moest huilen en ze vroegen wat ik wilde. Maar ja, hoe leg je dat uit? Ik maakte een penbeweging met mijn hand en toen mocht ik een kaartje schrijven naar huis.” Zijn pleegouders ontvangen hem liefdevol en de heimwee duurt niet lang. “Ik was zo gewend. En ik werd verwend. Ze kwamen met een theewagentje met ontbijt erop aan mijn bed.”

Zijn pleeggezin bestaat uit vier zussen en twee broers. Henk is de jongste van de club. Zijn pleegmoeder heet Selma Ahlfont. “De vader heb ik één keer gezien, die woonde in Lapland.” Binnen een maand spreekt hij Zweeds. “Toen kon ik me verstaanbaar maken en met ze praten.” Hij is het Zweeds nog altijd niet verleerd. “Ik kan nog steeds Zweeds spreken en schrijven.” Het huis beschikt over een telefooncentrale. “Dat was hun verdienste. Op het laatst mocht ik dat ook doen, telefoonverbindingen maken en mensen doorverbinden.”

Voor Henk is het leven in het Zweedse Alby één groot feest. Hij leert schaatsen, skiën, bobsleeën en naar de sauna gaan. Iedere morgen mag hij de brievenbus legen. Met de slee, steppend over de sneeuw naar het postkantoor. Het dorp heeft een coöperatie waar hij vaak heen loopt. Hij kan gaan en staan waar hij wil. “Ik was daar een bezienswaardigheid. Mensen stopten me zelfs geld toe. Ze noemden me de knuffelhollander.” Als hij wil mag hij ook naar school. “Toen ik de eerste keer de klas binnenstapte gingen alle kinderen staan en voor me klappen.”

Ook krijgt hij warmte die hij van thuis niet kent. “Als mijn pleegmoeder zag dat ik het moeilijk had, nam ze me bij zich. Ik heb nog nooit zo’n lief mens meegemaakt. Ik wist helemaal niet wat knuffelen was. Dat deden we thuis niet. In Zweden kreeg ik een arm om me heen en heb ik leren knuffelen. Ik vond er een moeder. En een familie waar ik deel van was. In de oorlog was het ieder voor zich. In Zweden leerde ik hoe het ook anders kon. Ik leerde wat liefde is.”

Als het bericht komt dat het tijd is om terug te gaan naar Zutphen wil Henk er niets van weten. “Ik wilde niet. Ze hebben me toen beetgepakt en in de trein moeten duwen. Ik had het er moeilijk mee.” Vanuit het Duitse Kiel rijden ze met bussen naar Zutphen. “We stapten uit op de Zaadmarkt. Daar stond een hoop volk te wachten. Mijn broer haalde mij op. Iedereen sprak Nederlands, dat vonden we heel gek. Ik weet nog dat ik dacht: wat praten die mensen raar.”


Vertrek van een konvooi uit het Deense Padborg, via Lochem en Zutphen naar Utrecht, op 27 september 1945, Bov Local Archives.

Zijn ouders zijn in de tussentijd verhuisd naar de Buitensingel. “Ons nieuwe huis leek wel een villa vergeleken met het huis waar we eerst woonden.” Als hij de drempel over stapt, worden zijn twee grote koffers in een mum van tijd opengemaakt door zijn broertjes en zusjes. “In plaats van dat ze me om de nek vielen, plunderden ze mijn koffers.”

Henk is sindsdien verknocht aan Zweden. Als hij ergens iets hoort of ziet dat met Zweden te maken heeft, is hij er als de kippen bij. Op zijn dertigste (begin jaren ’60) zegt zijn vrouw: ‘Genoeg gepraat, nu gaan we erheen.’ “En met z’n tweeën reden we naar Zweden, 2500 kilometer op de scooter.”

In totaal gaat hij vier keer terug naar Zweden. Zijn pleegmoeder brengt in de jaren ‘70 met haar kleindochter een bezoek aan Zutphen. Als hij eraan terugdenkt wordt hij nog emotioneel. “Mijn moeder en pleegmoeder liepen samen gearmd over de Zutphense markt.” Hij is het Zweeds nog altijd niet verleerd. “Ik kan nog steeds Zweeds spreken en schrijven.” Inmiddels heeft hij geen pleegfamilie meer in Zweden, “maar dat Zweedse gevoel dat gaat er nooit meer uit”.

* ‘Eten apart’ betekent aardappelen, groente en eventueel vlees apart op het bord, dus niet gestampt.


Alize Hillebrink: Weemoed en verlangen, Zutphense kinderuitzendingen in 1945. Uitgeverij Hermans, € 14,50. Verschijnt op 18 augustus. Klik hier om het boek alvast te bestellen.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden