Columns

Uut 't Wald | Uulskuken

Uulskuken

Eigenlijk heb ik het nooit gesnapt: de uil (en niet alleen die van Minerva) staat staat symbool voor de wijsheid. Hoe kan het dan, dat een jonge uil (een kuiken) voor dom wordt versleten? En toch heb ik het in mijn jeugd, als ik weer eens iets doms had gedaan, mijn moeder of de schoolmeester vaak genoeg horen zeggen: "Wat ben je toch een uilskuiken, Jan."
Ook in de streektaal wordt het woord gebruikt. Uulskuken zeggen ze in het grootste deel van de Achterhoek. En in sommige plaatsen oelskuken. Maar ook buiten het uilennest kun je blijkbaar sufferds vinden. Want of ze nu dom kuken, groot kuken, goezekuken, aoskuken, eendekuken of simpelweg kuke(n) tegen je zeggen, ze bedoelen altijd dat je niet al te snugger bent.
Blijkbaar is de Griekse mythologie (oorsprong van die wijsheid der uil) pas laat in onze contreien doorgedrongen. In oudere dialectwoordenboeken wordt namelijk ook domme uul genoemd voor een dom iemand.
Equivalenten van dommen uul zijn er ook. Dommen ulk (bunzing) bijvoorbeeld. Of stommen hond, stom vaerke, stomme koo, stommen os en dom schaop.
Een dom iemand, in de zin van een dwaas, een sufferd, heet in het Nederlands een oelewapper. Weinig mensen weten, dat dit woord oortspronkelijk uit de Achterhoek komt. Dat wil zeggen: het is tachtig jaar geleden voor het eerst opgeschreven in de toenmalige Graafschapbode. In het WALD, het woordenboek van de Aschterhoekse en Liemerse dialecten, komt het voor als oele(n)wapper, oelewappert, ulewappert en oelekerd. Maar voor een sukkel, een flapdrol, zijn nog veel meer woorden. Daarover volgende week meer.


Jan Buter

buterneede@hotmail.com

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden

Nieuwsoverzicht

Meer berichten