Foto:
Columns

Zwaleman | Supporters

Supporters

'Iet wiet, de bene kwiet.' Ik lees het als kop boven een artikel in Naober (Noaber), van alle glossy's die in de boekwinkel verkrijgbaar zijn de enige die ik steeds nog met plezier lees. In het nazomernummer blikt het blad (dat Ruurlo als thuisbasis heeft) een beetje vooruit op de nieuwe voetbalcompetitie, maar vooral terug op het amateurvoetbal in vroeger tijden. En dan met name op de befaamde derby's, waarin niet de eerste elftallen van dicht bij elkaar gelegen dorpen strijd leverden, maar vooral ook hun supporters.
Want wie denkt dat rivaliteit onder voetbalsupporters specifiek van deze tijd is, die heeft het absoluut mis. Ook vroeger kon men er wat van. Nee, ik kan me uit mijn jeugd niet herinneren dat supporters online een afspraak maakten om elkaar op een zeker tijdstip en een tevoren bepaalde plek de kop in te slaan. Of zelfs nog erger. Maar ook in het dorp waarin ik opgroeide was je voor één van de twee plaatselijke voetbalclubs (en dus tegen de andere) en wilde je dat laten weten ook. Ja, ook met geweld. Maar dat beperkte zich meestal wel tot verbaal geweld.

Ik heb daar zelf nooit aan meegedaan. Niet omdat ik zo'n brave jongen was, maar als kind had ik nog niet zoveel met voetbal. (Ik heb me lang er een beetje over geschaamd, maar langzamerhand durf ik het te bekennen: ik speelde hockey!).
Wat niet wil zeggen, dat ik af en toe niet op een voetbalveld langs de lijn stond. Want als mijn vriendjes (die bijna allemaal wel op voetbal zaten) op zondagmiddag een belangrijke wedstrijd wilden zien, dan ging ik natuurlijk wel mee. Al was het alleen maar vanwege de spanning die je beleefde. Niet door het voetballen, maar omdat je er zonder kaartje te kopen naar binnen moest zien te komen. En ja, dan hoorde ik ze wel roepen en schelden, de fanatieke supporters van beide ploegen. "Sköp um veur de peute", of zelfs: "Sköp um in de kiste". Sommige spelers hadden die aanmoedigingen niet eens nodig!
Maar zoals gezegd, ik had niet echt wat met voetbal. Dat veranderde toen mijn zoon als jochie van een jaar of acht de smaak van het spel te pakken kreeg. En er steeds beter in werd. Ik werd een echte supporter, niet eens zozeer van de clubs waarvoor hij speelde (we verhuisden nogal eens), maar zeker wel van dat aanvallertje dat ik met behulp van zijn moeder op de wereld had gezet. Altijd als hij speelde stond ik langs de lijn. Bij de F-jes al heel vroeg op de zaterdagmorgen, maar naarmate hij ouder werd werd het tijdstip gelukkig steeds aangenamer. Van alle sportaccommodaties in de Achterhoek en later Twente en Salland wist ik precies waar de lekkerste chocolademelk en de beste gehaktbal te koop was. Toen PEC Zwolle hem inlijfde bij de A-junioren (De Graafschap wilde ook wel, maar kwam jammer genoeg te laat) was ik misschien nog blijer dan hij. En ook in die tijd, toen hij in het hele land speelde tegen de junioren van Ajax, Heerenveen en andere grote clubs, stond ik altijd langs de lijn. Om hem aan te moedigen. Maar alleen met mijn aanwezigheid, ik heb er altijd voor gewaakt iets negatiefs te roepen over de tegenpartij.

Wat dat betreft was ik dus een model-supporter. En dat ben ik nog steeds. Want ik roep (bijna) nooit iets lelijks over een bepaalde club. Maar dat komt misschien vooral doordat zelf niet echt één favoriete club heb. Hooguit een favoriete tegenstander. Maar die noem ik hier maar liever niet.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden