Otteline van Panthaleon van Eck, een van de twee Zutphense stadsdichters van dit moment. Foto: Jolien Wilmar
Otteline van Panthaleon van Eck, een van de twee Zutphense stadsdichters van dit moment. Foto: Jolien Wilmar (Foto: )
VROUW

'Voor mij is poëzie levensreddend'

ZUTPHEN - Otteline van Panthaleon van Eck, een van onze twee stadsdichters van dit moment, woont achter een gedicht. Na mijn aanbellen, zwaait het gedicht opzij en stap ik in een verborgen kamer vol boeken. Links en rechts, van de vloer tot het plafond, wachten de boeken geduldig tot de kaften, door een nieuwsgierige hand open mogen vallen en de geheimen die zij bewaren ontsloten zullen worden. Hoe komt een mens aan zo'n honger naar literatuur?

Door Jolien Wilmar

Sinds zij kan lezen, zoekt Otteline de waarheid in de literatuur. Daar ligt de sleutel tot het geheim van het leven. Als klein meisje van zes jaar, was er veel dat om opheldering vroeg. Haar moeder overleed jong en haar vader leed aan de gevolgen van de oorlog. Terugkijkend naar dat verleden concludeert Otteline, dat het ontrafelen van de waarheid altijd nog beter is dan het niet begrijpen van de situatie.

Tijdens haar tienerjaren verblijft Otteline op een strenge Engelse meisjeskostschool. Tijdens de eerste weken moet ze woord voor woord in haar woordenboek opzoeken om iets van de literatuur te begrijpen die ze aangereikt krijgt, maar daarna beginnen de zinnen te stromen en komen de verhalen verlossend tot leven. Tijdens een les Engelse literatuur, leest de docent een gedicht voor van de dichter Auden, dit raakt Otteline zozeer dat ze denkt: 'Als dít bestaat, dan wil ik leven!'

"Ja, zo was het wel ongeveer," zegt Otteline als ze terugdenkt aan dat moment, "dat gedicht veranderde het zestienjarige wankelmoedige meisje dat ik toen was, naar een kind dat durfde te verlangen en reiken naar schoonheid. Het gaf me hoop."

"De literatuur hielp me het leven te begrijpen en te accepteren, maar de dichtvorm voegde daar muziek aan toe. De klanken van de woorden en het ritme van de zinnen, maken dat de taal de muziek begint te naderen. Ik kan een gedicht niet lezen zonder het hardop te lezen, dan pas hoor je de meerstemmigheid en de muzikaliteit.

Om zelf tot een gedicht te komen, begin ik bij het vormen van een beeld. Iedere ochtend voor het ontbijt wandel ik een klein uur en tijdens die wandelingen vallen mij, als ik geluk heb, beelden in. Zo ging het ook met het gedicht dat ik voor het Ida Gerhardt diner schreef. Opeens bedacht ik dat het zou kunnen werken om Ida naar haar eigen standbeeld te laten kijken. Daarna begint het schrijven. Uren, dagen, soms jaren, pulk ik aan de woorden, met vulpen op papier schrijf, kras en schuif ik tot ik denk: 'Mwah ja, dit lijkt wel wat.' Dan herschrijf ik het op de computer, print ik het uit, kijk ernaar en denk: 'Oh nee! Dit is niks.' En dan begin ik weer opnieuw te schuiven, schrijven en krassen. Dat schuiven en puzzelen vind ik heel gelukkig makend.

Dus taal geeft me vreugde, het geeft me inzicht, het leert me waarnemen en het geeft me houvast. Eens ook letterlijk. Mijn man is een zeiler, maar ik kan er niet tegen om op het open water te zijn. Hij wilde langs de kust van Noorwegen varen en ik dacht: 'Laat ik één keer een echte daad van liefde plegen en met hem meegaan,' maar ik vond het verschrikkelijk. Gelukkig had ik een dichtbundel van Zagajewski bij me en daar hield ik me gewoon aan vast. Als ik er niet meer tegen kon, las ik daar wat uit en dan kon ik weer voort.

Jaren geleden zijn er ooit in het literaire tijdschrift Maatstaf vijf gedichten van mij gepubliceerd, maar toen ik het zo voor iedereen leesbaar zag staan, schrok ik. Ik was er kennelijk nog niet aan toe om. Vervolgens liet ik alles wat ik schreef rusten in mijn bureaula, áls ik al iets schreef, want de jaren van werk als psycholoog slokte mijn aandacht op. Als stadsdichter ben ik nu heel zichtbaar. Nog steeds denk ik soms: 'Wat doe ik nou?!' maar ik heb het gevoel dat ik dit moet doen, dat het tijd is om mijn bureaula te verlaten.

Een stadsdichter schrijft tijdens vijf hoogtepunten van het jaar, zoals Koningsdag en 4 mei een gedicht en dat draag je dan zelf ook voor. Daarnaast kan een stadsdichter door bedrijven, instanties en particulieren de opdracht krijgen om een gedicht voor een speciale gelegenheid te schrijven. Stadsdichters zijn ook beschikbaar voor het geven van workshops en lezingen. Ik zou uren kunnen praten over alle aspecten van poëzie, maar het is ook erg leuk om in een groep te zoeken naar de ingangen van de verbeelding en de woordmuziek."

De gedichten van Otteline en haar duo-partner in het stadsdichterschap Merel Hubatka en alle voorgaande stadsdichters, zijn te vinden op de website van Dichter bij Zutphen.

Tijdens ons gesprek valt me op dat Otteline in alle toonaarden 'Ja' zegt. Haar positieve ja, is als de maatstrepen in een muzikale zin. Het vormt de basis, het begin en het einde. Wat een fijne vrouw.


www.dichterbijzutphen.nl

Meer berichten